KenniscentrumBehandelingen › Borstsparende operatie › Borstsparende operatie

Borstsparende operatie

Tweederde van de vrouwen die een borstoperatie moeten ondergaan omdat ze borstkanker hebben, komt in aanmerking voor een ‘borstsparende’ operatie. Het is dan niet nodig om de gehele borst te verwijderen (amputatie).
De chirurg verwijdert via een snede in de huid het gezwel in de borst en daarnaast ook altijd wat extra weefsel rondom te tumor. De borst blijft zo grotendeels intact, maar kan wel van vorm veranderen. Er blijft een litteken achter op de borst, op de plek waar de tumor zat.

(Onco-)Plastische chirurgie

linkerborst na een borstsparende operatie. Bron: BVNSoms vindt aanvullend plastische chirurgie plaats om nog een borstcorrectie uit te voeren. Als bij een borstsparende operatie in verhouding veel borstweefsel weggehaald is, kan de plastisch chirurg deze borst corrigeren in een tweede operatie. Deze correctie kan pas minimaal een jaar na de radiotherapie plaatsvinden.
Soms kan ook een uitwendige prothese een oplossing zijn.

Borstsparende behandeling in de vorm van een borstverkleining/oncoplastische chirurgie 

Een borstverkleining is een voorbeeld van een onco-plastische ingreep waarbij de oncologisch chirurg en de plastisch chirurg samen opereren. Tijdens de operatie verwijdert de chirurg  het aangedane borstweefsel. Hierna zorgt de plastisch chirurg ervoor dat van het overgebleven borstweefsel weer een mooi gevormde borst wordt gemaakt (contoursparend). De littekens zijn vaak dezelfde als na een  borstverkleining.

Door deze techniek blijft de vorm van de borst goed behouden, ook na de bestraling. Ongeveer een half jaar na de bestraling, als de vorm en het volume van de bestraalde borst stabiel zijn, kan eventueel de andere kant worden aangepast door middel van een ‘normale’ borstverkleining. Zo ontstaat er een symmetrisch resultaat.

Aanvullende radiotherapie

Een borstsparende behandeling bestaat altijd uit een operatie en een aanvullende bestralingskuur (radiotherapie) van de geopereerde borst. De kans dat de tumor na een borstsparende operatie binnen tien jaar plaatselijk terugkomt, is zeer klein. Maar het is mogelijk dat in de rest van de borst toch kwaadaardige cellen zitten. Met radiotherapie (bestraling) worden mogelijk achtergebleven kankercellen alsnog vernietigd. Deze therapie duurt 3 tot 6 weken waarbij 4 tot 5 dagen per week bestraling plaatsvindt.

Kans op genezing

Het grootste voordeel van een borstsparende behandeling is het behoud van de eigen borst, al dan niet met plastische chirurgie. Er zijn vrouwen die tóch voor verwijdering van de hele borst kiezen, ook al is een borstsparende behandeling mogelijk, bijvoorbeeld omdat zij denken dat verwijdering van de hele borst veiliger is en een grotere genezingskans biedt. Echter, behoort een borstsparende operatie op basis van alle onderzoeken en bevindingen tot de mogelijkheden, dan is bij een goed uitgevoerde borstsparende operatie de kans op genezing net zo groot als bij verwijdering van de hele borst.

Wel of niet een borstsparende operatie

De chirurg bespreekt met u of u in aanmerking komt voor een borstsparende behandeling. De bevindingen van chirurg, radioloog, patholoog en radiotherapeut zijn hierin medebepalend. Uw eigen voorkeur speelt ook een rol. Uiteraard is het wel van belang dat u een keuze maakt op basis van de juiste informatie. Een borstsparende operatie is niet bij elke patiënt mogelijk of gewenst. Dit is afhankelijk van een aantal factoren:
  • de verhouding van de grootte van de tumor tot de grootte van de borst;
  • het te verwachten cosmetische resultaat;
  • de verspreiding van de kankercellen in de borst. Ook in een voorstadium van borstkanker kan de verspreiding in de borst te groot zijn voor een borstsparende operatie;
  • de plaats van de tumor. Het is niet altijd mogelijk om te zorgen dat er een fraai eindresultaat is na de operatie door de ligging van de tumor.
  • of er eerdere bestraling van de borst is geweest; Wanneer iemand al eens bestraald is op dezelfde plek, kan er geen tweede borstsparende operatie plaatsvinden. Na een borstsparende operatie volgt altijd radiotherapie om de rest van het klierweefsel in de borst te beschermen tegen de groei van eventueel achtergebleven kankercellen. Een tweede serie bestralingen kan niet plaatsvinden in verband met het grote risico op radiotoxiciteit (schade als gevolg van bestraling). Amputatie is dan de enige veilige optie.
  • of er nog bestraling op de borst mogelijk is na de operatie.
  • de kans op plaatselijke terugkeer van de borstkanker.
  • de leeftijd van de patiënt. Hoe jonger een patiënt is, hoe groter de kans op plaatselijke terugkeer van de borstkanker. Bij jonge patiënten wordt daarom relatief vaker een volledige verwijdering van de borst geadviseerd.
  • erfelijkheid. Bij erfelijkheid is er een grotere kans op terugkeer van de tumor, daarom wordt de borst vaker volledig verwijderd, soms aan beide zijden.
  • de wens van de patiënt. Sommige patiënten willen niet dat er borstsparend geopereerd wordt, omdat ze dat niet als 'veilige oplossing' ervaren of omdat ze bang zijn voor de bestraling die nog moet volgen.

Plaats van de tumor

Als de tumor goed te voelen is in de borst, dan weet de chirurg op basis van wat hij voelt waar hij moet opereren.
Is de tumor niet (goed) voelbaar, dan bepaalt de radioloog voorafgaand aan de operatie waar de tumor precies zit. Dat gebeurt  meestal door een jodiumzaadje in te brengen en in sommige gevallen door 'draadlokalisatie'.
Bij de draadlokalisatie wordt met behulp van een echografie of mammografie de positie van de tumor bepaald: de radioloog prikt een draad met een weerhaakje in de borst, op de plaats waar de tumor zit. De chirurg moet dan het gedeelte rondom deze draad verwijderen.

Tumor plus gezond weefsel

Uiteraard is het belangrijk zoveel mogelijk tumorcellen te verwijderen tijdens de operatie. Daarom snijdt de chirurg ook wat gezond weefsel rondom de tumor weg. De patholoog onderzoekt de verwijderde tumor nauwkeurig en onderzoekt of er geen tumorcellen zijn achtergebleven. Daarvoor bekijkt hij hoe ver de tumorcellen van het snijvlak afzitten en beoordeelt of het snijvlak van het verwijderde weefsel ‘schoon’ is. Is dat het geval dan is het (bijna) zeker dat de tumor in zijn geheel is verwijderd. Als het snijvlak niet ‘schoon’ is, kan het zijn dat er tumorcellen zijn achtergebleven. In dat geval kan besloten worden tot een nieuwe operatie of extra bestraling om de achtergebleven tumorcellen in de borst te vernietigen.
Bron: BVN

Medicatiespreekuur en pré-operatief spreekuur

Voordat u geopereerd wordt moet u naar het medicatiespreekuur (routenummer 86). U hebt een gesprek met de apothekersassistent. Hier wordt met uw medicijngebruik met u besproken. Daarna gaat u naar het pre-operatief spreekuur (routenummer 82). Hier heeft u een gesprek met de anesthesioloog die een vragenlijst met u door zal nemen en u vertelt over de verdovingstechniek tijdens de operatie.

De operatie

Voor de borstsparende operatie wordt u opgenomen op de verpleegafdeling. De operatie vindt plaats onder narcose en duurt gewoonlijk 30 tot 60 minuten.
De borstsparende operatie vindt meestal plaats in een dagbehandeling, als de okselklieren niet worden verwijderd tijdens de operatie. U kunt dan na de operatie dezelfde dag weer naar huis. Worden de okselklieren wel verwijderd, dan kunt u meestal een of twee dagen na de operatie weer naar huis.
Zie ook: opname in het ziekenhuis voor een borstoperatie

Okselklieren

Bij een operatie wegens borstkanker vindt voorafgaand aan de operatie ook altijd onderzoek plaats naar eventuele uitzaaiingen in de lymfeklieren van de oksel, de okselklieren.
Wanneer een of meer okselklieren tijdens echografie vergroot blijken, wordt er tijdens het nemen van een biopsie van de borst ook een stukje weefsel uit de lymfeklier weggenomen door de radioloog. Zijn de okselklieren niet te voelen en laat de echografie geen vergrote klieren zien, dan voert de chirurg eerst een schildwachtklieronderzoek (ook wel poortwachtersklier of sentinel node genoemd) uit.
Als blijkt dat er uitzaaiingen zijn, kan het in sommige gevallen nodig zijn om de okselklieren te verwijderen (okselkliertoilet).
Een okselkliertoilet is een veel drastischer ingreep dan een schildwachtklieronderzoek. Ook is er meer kans op bijwerkingen zoals het minder goed kunnen gebruiken van de arm en vochtophoping in de arm (lymfoedeem).
Tegenwoordig wordt een oksel steeds vaker bestraald, in plaats van de okselklieren te verwijderen.

Drain

Zijn uw okselklieren verwijderd tijdens de operatie, dan heeft u na de operatie een drain. Dit is een dun slangetje dat de chirurg in de operatiewond heef achtergelaten, waardoor het wondvocht wordt afgevoerd. Het vocht wordt opgevangen in een potje. De drain blijft ongeveer vijf dagen zitten en u gaat ermee naar huis. De verpleegkundige op de verpleegafdeling zal uitleg geven hoe u hier mee om moet gaan.

Oefeningen

Als het mogelijk is, start u direct na de operatie met arm- en schouderoefeningen. Een verpleegkundige zal u instrueren en u een brochure geven met een beschrijving van de oefeningen. Door de operatie kan de arm en/of schouder aan de geopereerde kant stijf worden. De oefeningen helpen dit voorkomen. Daarnaast zijn oefeningen belangrijk als uw okselklieren zijn verwijderd. Zo wordt het afvoersysteem van het lymfevocht in uw arm zo goed mogelijk gehouden en is de kans op lymfoedeem kleiner.









Deel deze pagina: