KenniscentrumAlgemene informatie › Erfelijkheid › Erfelijke borstkanker

Erfelijke borstkanker

Borstkanker kan erfelijk zijn. In dat geval wordt de ziekte veroorzaakt door een aangeboren genetische afwijking. Een afwijking in een gen (erfelijk materiaal) heet een mutatie. Bevat een bepaald gen al bij de geboorte een mutatie die het risico op kanker verhoogt, dan heeft iemand een erfelijke aanleg om kanker te krijgen. Een dergelijke mutatie heet een kiembaanmutatie.

BRCA1- en BRCA2-gen

Van erfelijke borstkanker is, net als van eierstokkanker, deels bekend in welke genen er een kiembaanmutatie kan zijn geweest. Van twee genen is bekend dat ze met het ontstaan van erfelijke borstkanker te maken hebben. Dat zijn het BRCA1- en BRCA2-gen. Heeft een BRCA-gen al bij de geboorte een kiembaanmutatie, dan verhoogt dit (sterk) de kans op het krijgen van borstkanker en/of eierstokkanker.
Vrouwen met een BRCA-genmutatie hebben 60 tot 80% kans om voor het 70e levensjaar borstkanker te krijgen. Ter vergelijking: voor vrouwen zonder BRCA-genmutatie is dat ongeveer 12%.
De kans om eierstokkanker te krijgen, is voor vrouwen met een BRCA1-mutatie 30 tot 60% en voor vrouwen met een BRCA2-mutatie 5 tot 20%. Ter vergelijking: vrouwen zonder een BRCA-genmutatie hebben een risico van ongeveer 0,7% om voor het 70e levensjaar eierstokkanker te krijgen.
Ook van enkele mutaties in andere genen is bekend dat zij een rol kunnen spelen bij het ontstaan van borst- of eierstokkanker. Deze mutaties zijn echter veel zeldzamer. Erfelijkheidsonderzoek richt zich daarom vooral op het BRCA1- en BRCA2-gen.
Bij een vermoeden van erfelijke borst- en/of eierstokkanker in een familie, is een mutatie in één van de BRCA-genen lang niet altijd aantoonbaar. Dat kan slechts bij 15 tot 25% van de onderzochte families. Wetenschappers zoeken nog steeds naar andere genen die een rol spelen bij erfelijke borst- en/of eierstokkanker.

Overerving

Zowel de vader als de moeder kan een mutatie in het BRCA1- of BRCA2-gen doorgeven aan zijn of haar kinderen. Deze overerving is niet gebonden aan geslacht. De kans om de mutatie te erven is voor zonen even groot als voor dochters. Zowel vrouwen als mannen kunnen de mutatie doorgeven aan hun kinderen.
Een kind van een ouder met de mutatie heeft 50% kans om deze mutatie te erven. De kans om de mutatie niet te erven is daarmee ook 50%. Is bekend dat in een familie een mutatie in één van de BRCA-genen voorkomt, dan kan een DNA-onderzoek uitwijzen wie drager van het gemuteerde gen is en wie niet (zie hierna).

Ook mannen

Mannen hebben een kleine hoeveelheid borstklierweefsel. Daardoor kunnen ook zij borstkanker krijgen, hoewel dit veel minder vaak voorkomt. Mannen met een BRCA1- of BRCA2-genmutatie hebben een verhoogd risico op borstkanker. Bij een BRCA2-mutatie hebben zij ook een verhoogd risico op prostaatkanker.

CHEK2-gen

In West-Europa komt één specifieke mutatie in het CHEK2-gen vaak voor. Dit is de zogenaamde 'CHEK2*1100deIC-mutatie'. Andere mutaties in het CHEK2-gen komen in Nederland nauwelijks voor, en worden (nog) niet onderzocht. Eén op de 100 Nederlanders draagt deze CHEK2-mutatie (1%). In families waar borstkanker vaker voorkomt, komt deze mutatie ook vaker voor (5%).
Vrouwen die deze genmutatie hebben zonder dat er borstkanker in de familie voorkomt, hebben een licht verhoogd risico op borstkanker. De CHEK2-genmutatie versterkt het risico bij vrouwen waar wel vaker borstkanker in de familie voorkomt (toename risico 35 tot 55%). Waarschijnlijk komt dit door de combinatie met andere onbekende risicogenen en risicofactoren zoals leefstijl.
Daarnaast heeft een vrouw die borstkanker heeft (gehad) en deze CHEK2-genmutatie draagt, een verhoogd risico om ook borstkanker in de andere borst te krijgen.
Als u DNA-(bloed)onderzoek krijgt voor erfelijke borstkanker, wordt ook gekeken of de 'CHEK2*1100deIC-mutatie' aanwezig is.

Homozygoot

Sommige vrouwen hebben de CHEK2*1100delC-mutatie van zowel hun vader als van hun moeder geërfd, oftewel dubbel. Dit wordt homozygoot genoemd. Homozygote CHEK2-genmutatiedragers hebben hetzelfde risico op borstkanker als BRCA-genmutatiedragers. Ook hier zijn controles nodig.

Andere genen

Ook mutaties in andere genen kunnen het risico op (borst)kanker verhogen. Erfelijkheidsonderzoek richt zich daar nog niet vaak op. Voorbeelden zijn het PTEN-gen en het TP53-gen.

Signalen van erfelijke borst- of eierstokkanker

De volgende signalen geven aan dat er sprake kan zijn van erfelijke borst- of eierstokkanker in de familie:
  • als een vrouw borstkanker krijgt voor haar 40e levensjaar;
  • als een vrouw eierstokkanker krijgt, ongeacht de leeftijd;
  • als een vrouw zowel borst- als eierstokkanker krijgt;
  • als meerdere familieleden borst- en/of eierstokkanker krijgen;
  • als een vrouw in beide borsten kanker krijgt en het niet gaat om een uitzaaiing;
  • als een man borstkanker krijgt;
  • als een man prostaatkanker krijgt voor zijn 60e levensjaar;
  • als een vrouw triple negatieve borstkanker krijgt: hierbij zijn er tumorkenmerken, waarbij de receptoren voor oestrogeen, progesteron en HER2/neu ontbreken.

Erfelijkheidsonderzoek

Bij een vermoeden van erfelijke borst- en eierstokkanker kan een familie een erfelijkheidsonderzoek laten doen. Dit gebeurt in een gespecialiseerd centrum. Hiervoor is een verwijzing van een huisarts of een medisch specialist nodig.

Zie: Klinisch Genetisch Centrum Nijmegen

Erfelijkheidsonderzoek begint doorgaans met het in kaart brengen van de ziektegeschiedenis van de familie (stamboomonderzoek). Voor dit onderzoek is informatie nodig over het voorkomen van kanker in minstens twee, liefst drie generaties. Als deze informatie beschikbaar is, wordt een zogeheten 'medische stamboom' opgesteld. Aan de hand daarvan analyseert een deskundige het patroon waarin kanker in de familie voorkomt. Op basis daarvan maakt hij een inschatting van de kans dat erfelijkheid de oorzaak van de ziekte is. Ook de soort(en) kanker spelen hierin een rol. Vervolgens kan worden bepaald of DNA-onderzoek zinvol kan zijn.
Dit DNA-onderzoek start bij voorkeur bij een familielid dat borst- en/of eierstokkanker heeft of heeft gehad. Is dat niet mogelijk, dan kan er (afhankelijk van de familiegeschiedenis) ook bij gezonde personen DNA-onderzoek worden verricht.
Bij 15 tot 25% van de onderzochte families wordt een BRCA1- of BRCA2- mutatie aangetoond. Wordt deze mutatie niet gevonden, dan kan er toch sprake zijn van een erfelijke vorm van kanker. De wetenschappelijke kennis over erfelijke kanker is namelijk nog in ontwikkeling.
Bij een nieuwe familie duurt het DNA-onderzoek twee tot vier maanden. Wordt er een genmutatie aangetoond, dan kunnen familieleden laten onderzoeken of zij drager zijn van de genmutatie. Dit onderzoek duurt dan 3 tot 6 weken.

Controles bij erfelijke borstkanker

Zijn er duidelijke aanwijzingen op erfelijke borst- en/of eierstokkanker (al dan niet met een aangetoonde BRCA-genmutatie), dan is het raadzaam regelmatig te controleren op deze ziektes.
Dit regelmatig onderzoek van de borsten en eierstokken heeft als doel eventuele kanker zo vroeg mogelijk te ontdekken en te behandelen. Het geeft echter geen garantie op vroege ontdekking en genezing.
Deskundigen (onder meer Landelijke Werkgroep Erfelijke Borstkanker) adviseren het volgende controleschema aan vrouwen die draagster zijn van een BRCA1- BRCA-2 mutatie en vrouwen die een eerstegraads familielid hebben met deze mutatie. Maar ook bij homozygoot:
  • Maandelijks borstzelfonderzoek (5 tot 10 dagen na het begin van de menstruatie).
  • Tenminste jaarlijks een borstonderzoek door een medisch specialist.
  • Vrouwen van 30 tot 50 jaar: jaarlijks een MRI-scan en een mammografie van beide borsten.
  • Vrouwen van 50 tot 60 jaar: iedere 2 jaar een MRI-scan en een mammografie van beide borsten.
  • Vrouwen van 60 tot 75 jaar: iedere 2 jaar een mammografie.
  • Vrouwen ouder dan 75 jaar hoeven deze onderzoeken niet meer te doen.

Risico-reducerende operatie

Heeft u door erfelijke aanleg een sterk verhoogd risico op borst- en eierstokkanker, dan kan voor een risicoreducerende operatie worden gekozen. Bij deze operatie wordt borstklierweefsel (borstamputatie) en/of de eierstokken (met de eileiders) verwijderd. Dit verkleint de kans op het krijgen van borst- en/of eierstokkanker aanzienlijk.
Het zijn ingrijpende operaties, met vaak grote lichamelijke en emotionele gevolgen. Uw behandelend arts bespreekt uitgebreid de voor- en de nadelen van een dergelijke operatie. Daarbij hoort ook de eventuele mogelijkheid bij van een borstreconstructie door een plastisch chirurg.



Deel deze pagina: